Dieren
Veeteelt in Vlaanderen
Terug naar hoofdmenu
Dieren > Veeteelt in Vlaanderen
Veeteelt in Vlaanderen
Rundveehouderij
Schapen
Geiten
Paarden
Pluimvee
Varkenshouderij
Konijnenhouderij
 
Veeteelt nu

Wij houden huisdieren voor ons plezier. Ze moeten ons geen voordeel opbrengen (tenzij we met onze hond of poes naar schoonheidswedstrijden gaan). Voor een veehouder is het houden van dieren zijn bron van inkomsten; er is dus een economisch belang mee gemoeid. Daardoor heeft de veehouder ook een andere relatie met het dier, dan wij, gewone mensen.


Nutsdieren worden anders beoordeeld dan huisdieren. Zij moeten kenmerken hebben waardoor de gedreven inzet van de veehouder zoveel mogelijk rendeert en inkomen genereert. Daarom selecteert men nutsdieren juist op eigenschappen die men in de veehouderij waardeert. (zie: de consument): vruchtbaarheid, groei, voederconversie en slachtkwaliteit. De stamboekwerking is een belangrijk instrument om de kwaliteiten van een ras op te volgen en bij te sturen.

  

Een heerlijk stukje rundsvlees in verpakking, klaar voor verkoop in warenhuis, met vermelding van biologische productie

 

 

 



Vruchtbaarheid

Een koe geeft slechts één kalf per worp, terwijl een zeug acht tot twaalf biggen kan werpen. Een ooi heeft meestal één lam per worp, al wordt een tweeling steeds meer de regel. Elk dier heeft zo zijn eigenheid. Het aantal nakomelingen is voor de veehouder economisch belangrijk. Maar evenzeer van belang is dat de 'slaagkans' op nakomelingen hoog is. Selectie gebeurt dus op dieren met een hoge vruchtbaarheid die gemakkelijk drachtig worden en met veel kans om talrijke gezonde jongen ter wereld te brengen, rekening houdend met de aard van het dier.


Tegenwoordig tref je veel minder vaak een mannelijk dier op een boerderij. Vooral bij melkvee en varkens is de taak van respectievelijk de stier en de beer beperkt tot 'hulpje' bij de controle van de bronstigheid van de toekomstige moederdieren. De eigenlijke bevruchting,: die voor nakomelingen moet zorgen, gebeurt vooral via kunstmatige inseminatie, afgekort: KI. KI is op zich een eenvoudige ingreep, maar het moment waarop men het moederdier moet insemineren is wel zeer belangrijk. Dit inseminatiemoment verschilt van diersoort tot diersoort. De veehouder moet over heel wat kennis over zijn dieren beschikken om het moment van inseminatie goed te kiezen. Anders zijn er veel mislukkingen en moet men wachten tot het eerstvolgende geschikte moment voor inseminatie. In economische termen uitgedrukt, betekent dit: tijdverlies en minder opbrengst. De kostprijs van bijvoorbeeld een zeug berekent men volgens het aantal biggen dat ze in haar levensjaren op de zeugenhouderij heeft voortgebracht.

 



Groei

 In principe zijn dieren die snel groeien, economisch de meest interessante. De groei van een nutsdier is een eigenschap die men in de veefokkerij kan bijsturen. Hoe sneller ze groeien,  hoe minder lang ze op het bedrijf moeten blijven en hoe sneller de veehouder een nieuwe groep kan opfokken. Niet alles wat een dier eet, verteert. Alleen wat verteert kan het dier omzetten in een nuttig product: eieren, melk, vlees, ... Meer dan twintig jaar geleden groeide een varken een halve kilo per dag. Doorgedreven selectie heeft ervoor gezorgd dat er nu varkens zijn die met een zelfde rantsoen één kilo per dag groeien. Er zijn kippenrassen die dagelijks gemiddeld met 40 gram toenemen in gewicht. Er zijn uiteraard grenzen aan deze groei.


Naast de genetische condities van de dieren speelt ook het rantsoen een rol in hun groei. Groei hangt daarom ook samen met de voederconversie.

 



Voederconversie

Het is een technische term om aan te duiden hoeveel veevoer een dier(soort) verbruikt in relatie tot zijn productie (uitgedrukt in kg).

 
De voederconversie van melkvee is dus een maat voor de hoeveelheid opgenomen voer (in kg droge stof) per kilogram geproduceerde melk. Bij vleesdieren is het een maat voor de hoeveelheid voedsel die nodig is om bijvoorbeeld een varken 1 kg zwaarder te laten worden. Hoe lager de voederconversie, hoe kleiner de hoeveelheid diervoeder dat nodig is om 'een zelfde productie te realiseren'.

 
Door bijvoorbeeld varkens een ander voeder te geven dat ze beter kunnen verteren, wordt een groter deel van het voeder omgezet in vleesmassa. Hierdoor groeien de varkens beter en er is nog een positief neveneffect: ze produceren minder mest, wat met de huidige mestwetgeving van groot economisch belang is.

 


 
Slachtkwaliteit

De financiële opbrengst van een dier dat men kweekt voor het vlees, wordt bepaald door de markt. De Belgische markt is specifiek gericht op magere, sterk gespierde karkassen. De consument wenst immers een mager stuk vlees dat hij gemakkelijk kan bereiden. Dit maakt dat niet alleen het percentage mager vlees de prijs voor de kweker bepaalt, ook de vorm (conformatie) van het karkas is van belang. Door selectie, door aanpassingen aan het veevoer en aan de huisvesting is men er immers in geslaagd de dieren sneller hun slachtgewicht te laten bereiken.

 



Stamboekwerking

Veredelaars van dieren en planten kruisen verschillende soorten en rassen om een verbeterd resultaat te verkrijgen. Aanvankelijk gebeurde dit met weinig wetenschappelijke kennis, en dit leidde zelden tot succes. Het resultaat was een mengelmoes van rassen die weinig productief en ziekteresistent waren. In een poging dieren te selecteren die vanuit economisch oogpunt interessanter waren voor de boer, stimuleerden de boerenorganisaties en de overheid reeds vóór WO I de oprichting van syndicaten van veekwekers en later van fokverenigingen. Ze moesten zich expliciet bezighouden met de verbetering van de veestapel.

 
Door de organisatie van prijskampen voor fokkers en geslachte dieren, de publicatie van de resultaten en de voorlichting werd de fokkers duidelijk gemaakt in welke richting het ras moest evolueren. Prijskampen voor fokkers en voor geslachte dieren hadden een ander doel. Op de geslachte dieren prijskampen moesten de fokkers meer leren over de combinatie tussen het uiterlijk van het dier (exterieur) en het economisch rendement. Deze kennis maakte duidelijk hoe belangrijk het was dat selectie en fokkerij van landbouwdieren ondersteund werd door de slachtprestaties van de nakomelingen.


Een belangrijk instrument hierbij is dus het stamboek waarin uitsluitend dieren worden opgenomen die aan de fokdoelen beantwoorden. Daartoe worden deze dieren gekeurd op de leeftijd van 1 jaar. De fokvereniging buigt zich over belangrijke kenmerken voor de vorming van het ras. Eens zij de rasstandaard heeft vastgelegd, kunnen de dieren met een uniform waarderingssysteem worden gekeurd. Enkel geselecteerde dieren mogen worden gebruikt om mee verder te fokken in selectie- of fokprogramma's. Zo krijgt men een ras 'op punt'. Om de kwekers duidelijk te maken welke kenmerken wenselijk zijn bij een bepaald ras richt men keuringen in.
Een fokvereniging inventariseert de dieren en registreert de afstammelingen. Ze leveren ook afstammingsbewijzen af indien nodig.

 
Dankzij de stamboekwerking worden op overzichtelijke manier zoveel mogelijk gegevens meegedeeld aan de fokker of de eigenaar van een stamboekwaardig, of geregistreerd dier. Op de stamboek- of registratiekaart staan alle gegevens van het dier (ras, geslacht, worpgrootte, kleur, naam, geboortedatum, Sanitel- en eventueel oornummer) en ook de naam, het Sanitel- en oornummer van de ouders en de grootouders. Van elk dier kan men nagaan hoeveel vrouwelijke of mannelijke nakomelingen het heeft voortgebracht. De fokker kan dus voor elk dier de afstamming nauwgezet opvolgen, wat bij het fokken uiteraard van groot belang is. Zo kan men inteelt vermijden en een nieuwe bloedlijn aanhouden.


Foto cag1.jpg: promotie veeverbetering door vereniging, 192, Oproep vanwege Belgische Boerenbond aan de boeren om zich te verenigen in veeverbeteringsbonden. Op die manier hoopte men de kwaliteiten en de rendementen van de Belgische veestapel te verhogen.
Foto trofeeënkast van een topfokker.



Print
Zoek
Sitemap
Contact