Beleid
Hoe het begon
Terug naar hoofdmenu
Beleid > Hoe het begon
Hoe het begon
1800-1850: schaarste
1870: grote crisis
1880-1950: vooruitgang
Vanaf 1950: schaalvergroting
vanaf 2000: nieuwe wegen
Overlevingslandbouw

De vroege middeleeuwen (het einde van de Romeinse tijd tot de 9e eeuw) kan men beschouwen als de laatste fase van een tijdperk dat startte met de neolithische landbouwers. In vele streken was dit nog steeds de landbouw van de 'open plekken' in het bos.


Doordat de mens zich vestigde op vaste plaatsen ontstonden nieuwe gemeenschappen. Dit was belangrijk voor de voedselvoorziening, omdat in dergelijke gemeenschap niet iedereen voor zijn eigen voedselproductie zorgde of hoefde te zorgen. De ene hield vee, terwijl de andere aan akkerbouw deed. Door ruilhandel kon iedereen toch een volwaardig voedselpakket bekomen.


De middeleeuwse hongersnoden die het gevolg waren van een inefficiënte landbouw en een sterke bevolkingsgroei, dwongen de mens toen al tot het in gebruik nemen van meer grond. In de latere eeuwen zorgde een verdere bevolkingsaangroei voor een stijgend grondgebruik door de landbouw.
Vanaf de 10e eeuw en gedurende ongeveer drie eeuwen vond er opnieuw een grote, agrarische expansie plaats. Opnieuw in samenhang (oorzaak en gevolg) met een geweldige bevolkingsgroei, vermeerderde de landbouwproductie dankzij de uitbreiding van het areaal door ontginningen van bossen, hielden en moerassen. Maar de landbouwmethoden bleven in hoofdzaak dezelfde, wat inhield dat de bodemvruchtbaarheid meestal slechts hersteld werd door natuurlijke mechanismen, zoals braak (bv. drieslagstelsel). In diezelfde periode kwam er in West-Europa ook een einde aan de lijfeigenschap. Steeds meer boeren konden op zelfstandige basis (als eigenaar of pachter) een landbouwbedrijf exploiteren. De meeste boerderijen beperkten zich tot overleving, tot zelfvoorziening, en de kleine overschotten werden lokaal verkocht. Alleen de grotere landbouwbedrijven speelden een rol van belang op de markt.
Alle bedrijven - van klein tot groot - waren gemengde bedrijven. Ze bouwden voort op een evenwicht tussen akkerbouw en veeteelt. De landbouwgrond moest vooral broodgranen en vanaf de 18de eeuw ook meer aardappelen opbrengen. Het vee leverde vlees en zuivelproducten, maar vooral trekkracht en mest om de akkers te bevruchten.


Gedurende eeuwen evolueerde de landbouw nauwelijks. Tot in de 19de eeuw kwam de overlevingslandbouw in West-Europa in veel variaties voor. In Vlaanderen kunnen we spreken van een commerciële overlevingseconomie.

 

 



Drieslagstelsel


Een systeem van vruchtwisseling dat dateert uit de Romeinse tijd. Het houdt de vruchtbaarheid van het akkerland op peil. Het houdt in dat de akkergronden in drie delen of 'slagen' worden verdeeld die volgens een driejarenplan worden uitgebaat. Het eerste jaar moesten alle gronden van eenzelfde slag met tarwe worden ingezaaid. Het tweede jaar volgt een minder veeleisend gewas zoals haver of gerst. Het derde jaar bleef de slag braak zodat de grond zijn vruchtbaarheid kon herwinnen. Tijdens dat jaar kon deze slag ook beweid worden door schapen.

 



Print
Zoek
Sitemap
Contact