Beleid
1880-1950: vooruitgang
Terug naar hoofdmenu
Beleid
Hoe het begon
1800-1850: schaarste
1870: grote crisis
1880-1950: vooruitgang
Vanaf 1950: schaalvergroting
vanaf 2000: nieuwe wegen
1880-1950: vooruitgang

De vraag naar duurdere en kwaliteitsvolle levensmiddelen begon pas toe te nemen toen de industrie herleefde, dit omstreeks het jaar 1890. Ook de koopkracht van de arbeidersbevolking verbeterde. Dan pas kwam er in de gezinsbudgetten meer ruimte voor luxeproducten zoals: vlees, vis, zuivel, eieren, groenten en fruit. Voor de boeren die op deze consumptievraag konden inspelen, braken andere tijden aan.


De landbouwbedrijven vertoonden geenszins een uniform karakter. Er waren grote, rijke herenboeren en kleine, armoedige keuterboeren. Naast landbouwers met veel areaal in eigendom en een omvangrijke veestapel, waren er boertjes die slechts een kleine lap grond bewerkten en geen vee hadden. De inkomensverschillen tussen de bedrijven konden heel groot zijn. Het aantal arbeidskrachten in de sector liep tussen 1880 en 1950 terug met ongeveer een half miljoen. Ongeveer 200.000 hectare cultuurareaal ging verloren. De industrie, handel en diensten wonnen steeds meer terrein. De landbouw domineerde niet langer de economie noch het platteland. Na WO II was de landbouw klaar voor 'de grote sprong voorwaarts'.

 



Herenboeren


Een welgestelde boer uit Brussegem beschikte omstreeks de eeuwwisseling (1890) over ongeveer 62 ha landbouwgrond, waarvan zo'n 26 ha weiden en grasland, 18 ha voedergewassen: haver, voederbieten, klaver. Verder is 15 ha bestemd voor de teelt van broodgraan en aardappelen, 2 ha voor gerst, 1,5 ha voor fruitteelt. De herenboer bezat 8 Brabantse trekpaarden, 13 veulens, 19 melkkoeien, 4 stieren, 3 varkens, 20 kippen.

 

 



Keuterboeren


In veel minder rooskleurige omstandigheden, aan de onderkant van de sociale ladder, leefde een keuterboer uit Gelrode, nabij Aarschot. Zijn gezin telde in 1890 tien kinderen. Hij bezat een eigen huis, 10 are grond en 1 koe. Daarnaast pachtte hij 1,3 ha landbouwgrond en huurde hij een tweede koe. Het gezinsinkomen in dat jaar werd voor de helft gerealiseerd via de verkoop van haver, stro, hooi, boter, kippen en eieren, twee varkens en een kalf. De andere helft verdiende hij als dagloner en seizoenarbeider in Wallonië. Het gezin kon zo amper overleven.

 



Print
Zoek
Sitemap
Contact