Beleid
1880-1950: vooruitgang
Terug naar hoofdmenu
Beleid > 1880-1950: vooruitgang
Hoe het begon
1800-1850: schaarste
1870: grote crisis
1880-1950: vooruitgang
Vanaf 1950: schaalvergroting
vanaf 2000: nieuwe wegen
 
Tot aan de WOI

In de concurrentiestrijd met die industrie verloor de landbouwsector vanaf het begin van de 20e eeuw systematisch terrein. De werkgelegenheid in de landbouw daalde in de periode 1896-1910 van ongeveer 775.000 naar 580.000 eenheden. Binnen het economisch actieve deel van de bevolking zakte het aandeel van de werkgelegenheid in de landbouw in diezelfde periode fors: van 31% naar 22%.


De landbouw was voortaan niet langer de producent van het basisvoedsel, maar de boeren vonden een economisch rendabele uitweg in de 'veredelingslandbouw'. Ze zochten en vonden teelten waarbij de nadruk lag op producten met een hogere, toegevoegde waarde. Dit bleek succesvol, want dankzij de herleving van de industrie was de welvaart van de arbeiders toegenomen. Ze waren ook meer geïnteresseerd in die 'duurdere' levensmiddelen. Dus verschenen in Vlaanderen meer bedrijven die zich specialiseerden in de tuinbouw (groenten en fruit) of zich toelegden op de veeteelt. Uitgedrukt in economisch taaljargon: de landbouw is voortaan kapitaalintensiever en meer gestuurd door de markt. Die evolutie maakte van de land- en tuinbouwer een toeleverancier in de voedingssector. Deze trend zou later de individuele keuzevrijheid van de landbouwer sterk beperken.


 



Print
Zoek
Sitemap
Contact